Een lans breken

Ik moet gaan liggen want dat hoort zo. Maar echt lekker ligt het niet. Ik volg lijdzaam, ze heeft er immers jaren voor gestudeerd. Als ik mijn ogen sluit en met een ongemakkelijk gebogen nek door mijn neus inadem ruik ik een mengeling van vers gelakt hout en kamerplanten. De ruimte is donker, overwegend van bruin eikenhout. In de vensterbank staat een plant die uit een kokosnoot lijkt te komen. In mijn nek voel ik inmiddels de eerste knoop van de donkerbruine chesterfield doordrukken. Mijn god wat cliché is dit. Hier lig ik dan. Op de bank. Bij een psycholoog. Of een coach zoals dat zo hip heet. Want iedereen heeft tegenwoordig een coach. Dus ik ook, want ik heb een probleem. Ik ben niet normaal.

‘Eigenlijk is het al jaren zo. Ik kan het niet. En echt boeiend vind ik het ook niet. Of het een gevolg is van het ander vraag ik me af. Misschien is er wel een causaal verband tussen beide verschijnselen. Maar boeit het me dan niet omdat ik het niet kan. Of kan ik het niet omdat het me niet boeit?’

Wat een geneuzel. Haar ongelofelijke cliché vragen doen me schamper zuchten. Of ik bij het begin wil beginnen. Wat ik erbij voel. Ik weet het niet, snap het zelf niet eens!

Een ‘schillendorp’ zo noemde een van mijn stadse vrienden mijn geboortedorp ooit. Een voetbalclub, twee middelbare scholen, een kerk, een markt en een stamkroeg. Als je in en dergelijke setting opgroeit worden uitglijders je lang nagedragen. Zo viel het hoongelach mij terugkerend ten deel als er in een zin het woord‘wreef’ voorkwam. Niet zonder reden.

In de zomervakantie gingen we geregeld een balletje trappen op de velden naast de plaatselijke voetbalclub. ‘we’ was eigenlijk ‘ze’. Tot die benauwde zomeravond wist ik altijd mijn snor te drukken en met een biertje zitting te nemen aan de rand van het veld. Dat lag mij beter. Ik kon namelijk amper voetballen. Wat niemand wist was dat ik er echt helemaal geen kloot van kon. Die avond viel ik zo hard door de mand dat het me tot op de dag van vandaag wordt nagedragen. Door ongelijke aantallen moest ik aantreden. Tegenstribbelen hielp niet meer en ik moet tot groot vermaak van iedereen invallen. Ik punter me een weg door het veld. Na driemaal de bal uit de sloot hebben moeten vissen begint mijn eigen ‘Roberto Carlos’ geintje zelfs mij te irriteren. Wat lijdt groot vermaak van mijn vrienden. Tot iemand mij in al zijn goedheid uit mijn lijden wil en zegt dat ik de bal vol met mijn wreef moet raken. De reactie, in al mijn onschuld; ‘Waar zit mijn wreef dan?’ bezorgt me inmiddels meer dan 12 jaar na dato nog steeds een stortvloed aan hoongelach.

Mevrouw vraagt of ik het concreet wil maken. Inmiddels voel ik de laaghangende zon door de vreemde kokosplant op mijn wang branden. Het draagt bij aan de ongemakkelijke setting. Toch ga ik door met mijn verhaal. Ik moet dit ook opbiechten.

In het ‘schillendorp’ verwerf ik razendsnel een imago van slecht gezelschap. Niet voor de dames want dat gaat me wonderwel goed af. Maar gedurende het seizoen begint het me op te vallen dat ik altijd overal bij ben. Behalve de voetbalavondjes. Champions league, beker en Nederlands elftal worden trouw gade geslagen door de heren. Maar steevast zonder mij. Wat blijkt. Ik kan mijn bek niet houden. Nu ben ik altijd al lang van stof. Dat, in combinatie met het feit dat ik niet stil kan zijn zorgt sowieso al voor een spraakwaterval. Ik lul dus al jaren consequent door het voetbal heen. Dat komt namelijk. Doordat. Nou ja. Het boeit me gewoon niet. Voetbal-Boeit-Me-Niet. Zo, dat is eruit. Een taboe van jewelste. Ik geniet gewoon niet van driehoekjes. Op het bestaan van ’het driehoekje’ in het voetbal wees iemand mij laatst overigens pas. Het weergaloze spel van Barcelona, de euforie rond Zlatan, de wederopstanding van Arsenal door de komst Ozil. Ik weet het. Ik zie het. Ik hoor het. Maar het spijt me. Het doet me niets.

Mijn ogen knijp ik inmiddels dicht. De laaghangende zon schijnt verraderlijk in mijn ogen. Langzaam dringt de absurditeit van de situatie bij me binnen. Jezus dit gaat ze toch nooit begrijpen. Hoe leg je dit überhaupt uit aan anderen. Ik weet niet eens of ik dit wel kan uitleggen aan mijn eigen jongens. Ik voel me als een door Arie Boomsma uit de kast getrokken provinciaal. Ik wil dit helemaal niet. Het was goed zoals het was. Oké, niet zeuren. Vooruit met de geit.
Ik bedoel. Ik hou niet van het spel. Ik hou wel intens van ‘voebal’. De sfeer, mannen onder elkaar, saamhorigheid en de zwartgallige humor van de tribunes. Men moet daar ook niet aankomen. Dat is mijn wereld. De haat jegens personen die spreken over ‘voeTballen’zit diep. Dat is voornamelijk carnavalesk volk dat eenmaal per jaar naar het Nederlands Elftal omdat het ‘gezellig’ is. Of Wilma’s uit Delfzijl die eens per vier jaar een mening hebben over voetbal en ‘onze jongens’ graag aanduiden bij hun voornaam. ‘Robin is echt goed vandaag. Toch?’. Ik wil mijn sport behoeden voor dit soort typisch. Consumptie supporters. Dit is mijn sport. En dat is serieus. Mijn passie. Alleen kan ik niet zoveel met driehoekjes en inschuivende back. Champions league woensdag bestaat voor mij niet. Mijn halve jeugd pak ik vrijwel ieder weekend voor dag en dauw de trein naar mijn cluppie. Semi-profs die een wedstrijd spelen voor des keizers baard. Maar die tweemaal vijfenveertig minuten. Daar gaat het voor mij dus niet om.

Ik bemerk dat ik mezelf klem lul. Iets verdedigen waar je niet eens van houdt. Maar ik hou er wel van. Dit is mijn leven! Wat een kutverhaal. Lekker kort ook.

Het is ook niet zo dat ik niet graag naar het stadion ga. Het magische gevoel van het eerste zicht op het veld. Het alles omvattende geroezemoes op de tribune boven me. Het ruiken van het gras, broodjes unox en koffie. Ik ben gewoon meer van de pre-match-drink. Altijd het laatste groepje met versnelde tred richting het vak hollen. Net voor de aftrap binnenkomen. De hoon van de jongens over je heen krijgen. Het gelul en gezeik met en vooral op je buurman. Dat is mijn voetbal. Mijn wereld. Mijn jongens. Mijn trots. Dat daar een bal bij rolt is voor mij puur bijzaak. Ik meen oprecht dat dit al mijn hele leven zo is. Geboren en getogen in de plaatselijke voetbalkantine. Waar ik stipt om 16:20 binnen kwam. Beetje buiten in de kou staan kijken naar een paar amateurs. Ben je gek. ‘Hé biersupporter, je bent te vroeg’ riep de voorzitter van onze plaatselijke amateurclub me zelfs ooit toe toen ik om 16:05 het complex betrad. Aan de bar kon ik mooi van de jongens horen hoe de wedstrijd was geweest. Ik genoot van de lucht van bier en badedas die voetbalkantines in den landen op zaterdagmiddag zo typeren #nohomo. ‘

Ooit vertelde een psycholoog me dat er een vraag was die iedereen stelde. Nu lig ik hier. Op die verrekte chesterfield mijn hart te luchten en nek te verdraaien. Er brandt maar een vraag op mijn lippen.

‘Hoort u dit vaker? Ben ik de enige die dit heeft? Of breek ik slechts een lans voor mezelf?’

Ook leuk om te lezen