In de actualiteit

Il Grande Torino, puur voetbalcultuur in granaatrood

“Je moet meegaan naar Torino,” zei Daniele een paar jaar geleden tegen mij, “Torino is zoveel meer dan een club, dat moet je een keer beleven. Je kan er een geweldig verhaal over schrijven.”

Dit jaar was het zover. Met drie vrienden was ik aan het groundhoppen in Piëmont en Daniele’s uitnodiging had ik voor deze gelegenheid dankbaar aanvaard. Op een zondagochtendvroeg stond hij op de stoep van ons hotel om samen een ‘Il Grande Torino-trip’ te maken. In vol ornaat: Torino-hooded-sweater aan, Torino-shawl om de hals geknoopt en een Torino-muts op het olijke hoofd. Eronder, ondanks slaperige ogen, een dolenthousiaste blik. Hij had ook Torino-shawls voor ons mee genomen om in de sfeer te komen. Zelf sloeg hij nog een ‘café’ achterover. Hij had er zin in en wij ook. In de auto stak Daniele meteen van wal over de rivaliteit met Juventus: de “bastardi”, de “deliquenti”. Het was volgens hem de club van de groot-industriëlen en “het vreselijke Fiat”, de rijke politieke elite die er een historie van dominantie door bewezen machtsmisbruik op na hield, de club die over lijken gaat en populairder buiten Turijn is dan in Turijn. “Nee, neem dan Torino”, zwijmelde hij, “de club van het volk, de mensen die elkaar op straat ‘brothers’ noemen, ook al kennen ze elkaar niet persoonlijk. Torino-fans herkennen elkaar op het eerste gezicht, dat komt door de liefde die we delen.”

Het monument voor de Torino-helden die omkwamen bij de vliegramp.

De hart- en zielsliefde voor de club, die volgens de overlevering het mooiste voetbal speelde dat Italië ooit heeft mogen aanschouwen, is breed gedeeld. We merkten het toen we aankwamen op de Superga-berg, waar het vliegtuig met daarin de spelers van Il Grande Torino in 1949 vlak voor thuiskomst in dichte mist crashte. Een voetbalhegemonie werd daarmee abrupt en wreed beëindigd, tot groot verdriet van iedereen met een granaatrood hart en met medeleven van de gehele natie. De schade van de vliegramp was nog te zien aan de achterkant van de imposante basiliek op de berg. Daar bevond zich tevens een herinneringsmonument voor de omgekomen wondervoetballers. Vaantjes aan de wand, sjaaltjes in de bosjes, bosjes bloemen in vaasjes, door weer en wind aangetaste fotootjes in plastic hoesjes, en persoonlijke boodschappen, hartjes en kusjes, sieren het monument. De devotie voor de onsterfelijke helden is van een kinderlijke liefheid die het hart doet smelten. Ieder jaar lopen duizenden Torino-fans in processie de berg op om hun helden eer te betuigen. Nu liep er een groep van de Torino-fanclub uit Malta rond, die hartverwarmend graag met ons op de foto wilde. We waren ten slotte broeders, nietwaar? Op deze plek ontkwam je er niet aan een zwak voor de granaatroden te krijgen.

We verlieten de sacrale plek en liepen terug naar de auto. Daniele vertelde onderweg dat we vervolgens eerst naar het Torino Museum buiten de stad zouden gaan en daarna naar Filadelfia. Daar stond vroeger Stadio Filadelfia, de arena waar de mensen voetbalwonderen aanschouwden, en waar nu op heilige grond een nieuw trainingscomplex werd gebouwd. “De fans betalen mee”, vertelde Daniele, “zo doen we dat bij Torino. De club zit in de harten van de mensen en we geven allemaal. Zo mooi is deze club. Jullie zullen het zo zien in het museum.” Het museum lag in een dorpje net buiten de stad. Het was een stukje rijden vanaf Superga. We stopten bij een grote oude dorpsvilla, een pand van honderden jaren oud. Van buiten zag het er in de motregen wat armetierig uit, maar eenmaal binnen kwamen we in een andere wereld terecht: de wereld van Il Grande Torino. Een liefdevol en met aandacht ingericht clubhuis, sfeervol, overal warm granaatrood, veel ruimte voor historie en verzameldrang. Geen computertoepassingen en multimediapalen. Nee, naast de ingang stond een oldtimer. “Gigi’s auto”, fluisterde Daniele terloops in mijn oor.

Het voormalige stadion van Torino.

Een Engelssprekende gids nam ons bij de hand door een eeuw Italiaanse voetbalmythologie, want Torino is bij uitstek de Italiaanse voetbalclub van mythen en klassieke tragedies. We bekeken eerst een filmpje met overwegend zwartwitbeelden uit vervlogen tijden: aanvallend wondervoetbal en de gewonnen Scudetti van Il Grande Torino, de imposante nasleep van de vliegtuigcrash op Superga, fameuze clubhelden: Mazzola, Meroni, Ferrini. Het eerste relikwie in het museum was de koperen hoorn van de stationsopzichter van Turijn, die in vroeger dagen de toeter mee naar het stadion nam om er op te blazen als Torino achterstond. Dat was het sein voor de Torino-spelers om de mouwen op te stropen. Menig wedstrijd wonnen ze dan alsnog.

Het museum is zo een aaneenschakeling van relikwieën die zorgvuldig bij elkaar zijn gebracht door de fanatiekste verzamelaars. De oude eretribune van Stadio Filadelfia, een spandoek van fans van de bevriende Argentijnse club River Plate met ‘Mazzola Presente’ erop gestikt, dekselpotjes gevuld met steentjes en schroeven van het oude stadion, koffers uit het vliegtuig dat op de Supergaberg crashte. Naast de luxe-koffer van Mazzola staat een koffer van de verzorger. Het waren andere tijden: geblesseerde spelers kregen een oppepper uit een fles van de verzorger en vlogen dan weer als herboren het veld op. De flessen in de koffer zijn tot mijn verbazing nog geheel intact. “Dat klopt”, zegt de gids, “tijdens de crash brak het vliegtuig in tweeën en het staartdeel met de bagage viel daarbij geheel intact op de grond. Als er iemand in had gezeten had die de ramp hoogstwaarschijnlijk ook overleefd. Helaas zaten alle passagiers in het voorste deel, ze maakten geen schijn van kans.”

Het contrast is groot. Aan de ene wand hangen foto’s van een ontspannen wedstrijd in een lentevol Lissabon, waar Torino op persoonlijke uitnodiging van de afscheid nemende Benfica-captain Francisco Ferreira een vriendschappelijke testimonial speelde. Aan andere wanden zien we foto’s en krantenartikelen van de massale rouw en begrafenisstoet na de ramp. Een enorm aantal Turijners was op de been om de lokale helden de laatste eer te betuigen. In de zaal staan diverse brokstukken van het vliegtuig uitgestald. “Het was een Fiat-vliegtuig”, zegt Daniele sip, en kijkt er veelzeggend bij.

Een andere zaal vol met Torino-shirts vormt daarnaast een eerbetoon aan Gigi Meroni, ‘La Farfella Granata’, De Granaatrode Vlinder, die als aanvaller op de rechtervleugel, in elegante eigentijdse stijl, oude tijden deed herleven. Gigi was een dribbelaar, een ranke nummer zeven, hij beheerste zijn schijnbewegingen en versloeg de keeper van de tegenstander vaak één-op-één nadat hij eerst een hele vijandelijke verdediging in de luren had gelegd. Gigi was een kunstenaar, een bohemien in een hippe oldtimer, de Italiaanse Vijfde Beatle, met snorretje en lange haren. Ooit weigerde hij die haren op verzoek van de bondscoach te laten knippen waardoor hij niet mee mocht spelen met het nationale elftal.

Meroni kwam als twintiger tragisch aan zijn eind. Op de Corso Re in het centrum van Turijn kwam hij op een avond bij een aanrijding om het leven. De man achter het stuur zag de vlinder niet en joeg de meest geliefde Torino-speler aller tijden de dood in. Het wonderlijke is dat de bestuurder jaren later voorzitter van Torino werd en vervolgens de club naar de rand van de afgrond bracht. “Hij reed in een Fiat”, mompelde Daniele weemoedig achter mij.

***

Een vleugje van de oude glorietijden kan worden opgesnoven op het terrein van Stadio Filadelfia, de volgende halte op deze Torino-tour. Tussen de nieuwbouw van het moderne trainingscomplex staan nog enkele restanten van het oude stadion overeind. Enkele ruïnes van tribunedelen, een muurtje met daarop het woord ‘INGRESSO’ geschilderd, een pijl wijst naar de voormalige ingang. Het zijn stille getuigen van iets wat ooit onbeschrijfelijk en indrukwekkend mooi was. Daar wilde je naar binnen, daarbinnen wilde je Il Grande Torino zien; droomvoetbal aanschouwen.

***

Van Stadio Filadelfia liepen we naar de supporterskroeg aan de overkant. “We gaan naar het honk van de ultra’s van Torino”, zei Daniele monter. Hij liep vastberaden naar binnen en wij liepen mee door de glazen voordeur. Op het glas stond een afbeelding van een vervaarlijk briesende demonische stier, onmiskenbaar de mascotte van de ultra’s alhier. Het ‘beest’ was in de hele zaak terug te vinden, te midden van geschilderde doodshoofden en een uitgebreide collectie Torino-shirtjes aan de wand. Op de achtergrond klonk jaren tachtig muziek.

Het was nog vroeg, en rustig in de zaak. Twee oudgediende stamgasten, enigszins louche kerels, hingen aan de bar. De ene was een lange kale man van een jaar of vijftig, type ‘Britse hooligan in zijn nadagen’, met een tatoeage van een spinnenweb achter zijn oor. Hij droeg een forse bril, wat hem iets respectabels gaf. De andere man was een Italiaanse rakker met licht krullerig lang donker haar, vet staartje in zijn nek, zwart snorretje en slecht gebit met enkele afgebroken tanden. Ze wilden weten waar we vandaan kwamen en voor welke clubs we waren. Heerenveen zei ze weinig, maar Den Haag en Ajax riepen wel reactie op. “Is Den Haag niet bevriend met Juve?”, vroeg de Italiaanse rakker. De verloren UEFA-Cupfinale tegen Ajax waren de Torino-fans ook nog niet vergeten. Er werd wat heen en weer geroepen door de zaak, maar daar bleef het verder bij. We waren welkom als vrienden van brother Daniele en gingen op de foto in de kroeg. Pas later zagen we het beoogde resultaat, op de achtergrond een ruïne van Stadio Filadelfia met – precies in de hoek in beeld – een spandoek met ‘Juve Merda’ erop. Laten we het houden op Italiaanse voetbalhumor.

“Tot straks in het stadion?”, vroeg ik bij het verlaten van de kroeg aan de man met de afgebroken tanden. Hij lachte zijn resterende tanden bloot en sloeg me amicaal op de schouders. “Nee, dat gaat niet”, zei hij zichtbaar tot zijn spijt maar op berustende toon, “ik heb een stadionverbod van negen jaar. Ik kijk hier in de kroeg, met mijn vrienden die het stadion ook niet in mogen.” De lange kale man met de bril knikte vriendelijk. Ze wensten ons een mooie match in het stadion toe: “Forza Torino!

***

Onderweg naar het stadion verontschuldigde Daniele zich opeens. Na alle schoonheid eerder op de dag wilde hij ons voorbereiden op het stadion, dat volgens hem allesbehalve mooi was. Dat verbaasde ons, want toen we eerder die dag langs het stadion reden was dat niet de eerste indruk geweest. “Het is geen voetbalstadion, want het is verbouwd voor de Olympische Spelen”, vertelde Daniele, “er ligt een sintelbaan, wat kan ik er meer van zeggen.” Eenmaal binnen vonden wij het Stadio Grande Torino best wel mooi. Eigenlijk was er weinig mis mee, voor een Italiaanse betonbak uit de dertiger jaren van de vorige eeuw. Het stadion had aan de Olympische Winterspelen van 2006 een grondige make-over te danken waardoor het nu een behoorlijk modern, ruim opgezet en makkelijk toegankelijk stadion was. Desalniettemin had het stadion een warm huiskamergevoel, hart en ziel.

Dat laatste niet in de laatste plaats vanwege de Curva Maratona rechts van ons. “Wij doen niet aan vaste plaatsen”, had Daniele bij binnenkomst gezegd, “laten we zo dicht mogelijk bij de uitverkochte Curva proberen te staan, dat is het mooist.” Hij had niets te veel gezegd. De granaatrode Curva was tot de nok toe gevuld en zwierde en deinde op gezang en muziek. ‘Forza Vecchio Cuore Granata’, stond in witte letters op granaatrode achtergrond over de volle breedte boven de eerste ring. Voorwaarts oud granaatrood hart. Aan de voet van de Curva voetbalden jongetjes van een jaar of tien tegen elkaar. Ze hadden vooral oog voor de bal en voelden zich in de warme schoot van de Curva Maratona in hun element. Voetbalcultuur in puurste vorm. Daniele stond te glunderen terwijl wij om ons heen keken en genoten.

De tegenstanders van vandaag waren de Dolfijntjes van Pescara, laagvlieger in de Serie A en op voorhand geen partij voor de dit seizoen prima presterende Stieren. “Het wordt 5-0 voor Torino”, voorspelde ik Daniele enthousiast. Hij schudde zijn hoofd resoluut: “Winnen prima, maar vijf keer scoren zal niet zo snel gebeuren, dit is Serie A broeder, birra?” Zonder het antwoord af te wachten liep hij richting catacomben om bier te halen. Vlak voor de aftrap verscheen hij terug op de tribune met vijf plastic halve-literglazen bier op een kartonnen traytje. Op dat moment begon de wedstrijd, en nog voor we met de ogen konden knipperen stond de 1-0 op het scorebord en konden we proosten op Torino. Daniele hing om mijn nek van blijdschap. “We liggen op koers”, riep ik gekscherend tegen hem. Zijn dag kon op dat moment al niet meer stuk, laat staan toen Torino een kleine tien minuten later op een goede 2-0 kwam. Daniele stond erop dat we voortaan elke twee weken naar zijn stadion zouden komen. We brachten geluk!

“Wie zijn je favoriete spelers eigenlijk?”, vroeg ik Daniele. “Joe Hart, Iago Falque en Andrea Belotti”, antwoordde hij zonder nadenken. “Dat Hart bij Torino speelt is simpelweg een mirakel, Falque is een geweldenaar op de flanken en Belotti komt van een andere planeet. Zie hem lopen daar, in alles de belichaming van Toro”, vertelde onze gastheer, en wees naar de spits die in voorkomen en stijl inderdaad in alles de gedroomde Turijner aanvalsleider was. Met zijn brede gespierde schouders, lichte kromming in de bovenrug en bottig hoofd op stevige nek was hij de ultieme verpersoonlijking van een stier in de spits. Vol bewondering keek ik naar de sterke bewegelijke centrumaanvaller die als een briesende stier met zijn tong half uit de mond over het veld buffelde en zowel aanvallend als verdedigend zijn mannetje stond. Met een neusje voor de goal. “GGGGOOOOLLLL!!! ANDREA BELOTTI!”, klonk het opeens door het stadion. Na een solo vanaf eigen helft, door zeeën van ruimte, scoorde de spits vanaf de rand van de zestien: 3-0. Daniele viel in mijn armen van gelukzaligheid. Dat hij dit met ons mee mocht maken. Ongelooflijk!

Het bier was er ondertussen vliegensvlug doorheen gegaan en ik ging het volgende rondje te halen. Onderweg liep ik naar de latrines bovenaan de tribune om te pissen. Vanuit de wc kon je door een raampje de wedstrijd op het veld blijven volgen. Voetbalcultuur op zijn puurst, schoot het door mijn hoofd en ik genoot van het moment. Terug in het stadion deinde de Curva Maratona nog altijd heen en weer. Een harmonieuze samenzang ging als een warme wind door het stadion. “Waar zingen ze over?”, vroeg ik aan Daniele. “Ze zingen over Gigi, en dat Torino de mooiste club van Turijn is, en dat Torino onze grote liefde is”, mijmerde hij. Het stadion veerde voor rust nog eenmaal op toen Joe Hart zijn klasse toonde met een overtuigende redding op een gevaarlijk schot van een Pescara-aanvaller, en toen was het rust na een enerverende eerste helft.

In de rust verlieten de Pescara-fans het stadion volkomen gedesillusioneerd en lieten hun ploeg eenzaam en alleen achter. Na de rust ging Torino door waarmee het de eerste helft de toon had gezet. Na een kwartier spelen stond het 5-0, mede dankzij de tweede treffer van Belotti. Daniele kon zijn ogen niet geloven en stond euforisch te zwaaien naar alle mensen om hem heen. “MANITA DEL TORO!”, hoorde ik achter mij. Een handvol voor Torino! “Ik zei het je, 5-0!”, riep ik nogmaals gekscherend naar Daniele. Hij gaf me een dikke knuffel.

Die euforie duurde niet lang. Na de vijfde treffer stortte het Torino-bolwerk op ongekende wijze in. In tien minuten tijd scoorde Pescara drie keer, en met nog een kwartier te spelen was opeens alles weer mogelijk, tot afgrijzen van het thuispubliek dat niet wist wat het overkwam. Het werd stil in het stadion. Hoe zullen die Pescara-supporters in de bus op weg naar huis zich voelen in de wetenschap dat ze misschien de meest legendarische comeback van hun ploeg ooit missen?, vroeg één van mijn vrienden zich hardop af. Zover zou het gelukkig niet komen. Vlak na de derde Pescara-goal deed Joe Hart zijn bijnaam Mirakel nogmaals eer aan met een miraculeuze redding, waardoor ons vijf spannende slotminuten bespaard bleven. De 5-3 op het scorebord was tevens de eindstand. Het was een Serie A-wedstrijd van grote hoogten en diepe dalen geweest. Het verhaal van Torino in een notendop. Voor de neutrale toeschouwer was het evenwel een buitengewoon enerverende wedstrijd geweest, met een voor Italiaanse begrippen ongekend uitbundig scoreverloop. Neutraal waren wij echter al lang niet meer, althans niet wat Daniele betrof. De club was naast drie punten – of wij het wilden of niet – weer vier nieuwe broeders rijker en vooral dat moest gevierd worden. Bij hem thuis kwamen de flessen Barbera op tafel om de dag met granaatrood in de glazen geheel in stijl af te sluiten.

Het is SALE op PGWEAR.nl, de officiële webshop van het merk in Nederland. Wees er snel bij, want op = altijd ook echt op!

Gideon van der Staaij
Over de schrijver

Genieten van strijd op het veld in historische voetbalstadions en langs de lijn authentieke clubcultuur opsnuiven. Dat is voetbalbeleving in essentie volgens Gideon van der Staaij. Op de staantribune in het oude Abe Lenstra Stadion aan de J.H. Kruisstraat te Heerenveen raakte hij er in zijn jeugd aan verslingerd. Sinds de verhuizing van Heerenveen naar een modern onderkomen leidt Gideon een zwervend voetbalbestaan op zoek naar dat voetbalgevoel en die stadionbeleving van weleer. Hij vond het na omzwervingen in Europa en Zuid-Amerika in Italië bij Pro Vercelli en schreef er een boek over. Tegenwoordig voelt hij zich thuis ‘om de hoek’ bij het Haagse HBS, waar zijn zoon op voetbal zit en puur voetbalcultuur, weliswaar tussen de kunstgrasvelden, alomtegenwoordig is.
    Ook leuk om te lezen...
    Ajax Champions LeagueIn de actualiteit

    Juve uit: Reaching for the stars!

    Ajax Champions LeagueIn de actualiteit

    Mevrouw Halsema: Aan u de taak dit op te lossen!

    Ajax Champions LeagueIn de actualiteit

    Amsterdamse politiek, neem verantwoordelijkheid!

    Ajax Champions LeagueIn de actualiteit

    Ajacieden gedupeerd voor Ajax - Juve