SC Veendam gaat nooit kapot

Negen, misschien tien. Clubshirt met daaronder een trainingsjas, shawl om de nek, rood hoofd wat ietwat schril afstak tegen het geelzwart van zijn SC Veendam, grote ogen. Het knulletje oogde gespannen. “Hoop toch zo dat ze vanavond winnen.” Het was twaalf jaar geleden dat ik De Langeleegte had bezocht. Dat het me geen bal interesseerde of de Veendammers zouden winnen, vertelde ik het knulletje uiteraard niet. Ik knikte en loog “ja, dat hoop ik ook.”

Ik volgde SC Veendam alleen via de media, zag zo nu en dan wedstrijdbeelden bij RTL7 voorbij flitsen. Hoofdschuddend las ik de berichten over de aanhoudende geldproblemen bij de club, hoorde de verhalen van de spelers, die klaarblijkelijk goed hebben geluisterd naar hun collega’s in de eredivisie en dus ook nietszeggende volzinnen de microfoon in bliezen, en zag plaatselijke kruideniers voorbijflitsen in maatpakken van de C&A.
“As bestuur zalk moar zeggen, neem’n wie gain stellage”
“U bedoelt stelling?”
“Nee, dat is aan de troiner”
“U neemt geen stelling?’
“Joa dat ook”

Profvoetbal in de marge. ‘Hek erom, stop eruit en laten zinken die hap’, zou Jules Deelder zeggen. Een citaat dat wat mij betreft van toepassing leek op SC Veendam. Met de nadruk op het woordje ‘leek’, want mij werd deze avond pijnlijk duidelijk dat een mening uiteindelijk wordt bepaald door gevoelens en niet door verstand. Veendam is namelijk een warm bad, zo stelde ik vast. Voetbal zoals voetbal ooit bedoeld is. Gehaktbal met mosterd, biertje op de krakkemikkige tribune, een volkszanger die in de rust uit de maat zingend het publiek probeert mee te krijgen, een ballenjongen die beleefd aan de keeper vraagt wat hij wil als die druk gebarend naar de bal wijst, publiek van de opponent dat keurig een plaatsje krijgt toebedeeld op de hoofdtribune, temidden van aanhangers van de thuisclub, zingende Fanatics die, nippend aan een glaasje ranja, uit volle borst ‘Hooligans’ kraaien, een suppoost van naar schatting zeventig-plus, die mopperend de verrichtingen van de hoofdmacht aanschouwt. Jongetjes die zijn achterkleinkind hadden kunnen zijn.

Geen skyboxen, politie, detectiepoortjes, fouilleringen, gouden zegelringen, Cubaanse sigaren en gelikte zakenlieden, maar Oost-Groningse nuchterheid. Een verademing in het hedendaagse profvoetbal. Deze club mag niet kapot.
Al was het alleen maar voor dat jongetje van negen, tien jaar oud, met het clubshirt om de schouders en de geelzwarte shawl om zijn nek.

Column is geschreven door Arjan Brondijk voor het Streekblad.

(Dank voor de tip Danoon)

Ook leuk om te lezen