Nieuw leven voor HFC Haarlem?

14 januari 2014 |  door  |  Actueel

In een interview met Haarlem 105 gaf Erik de Vlieger aan dat hij bezig is met het terugbrengen van HFC Haarlem. De zakenman, die niet onomstreden is (als we mogen geloven wat we lezen) staat bekend als groot Haarlem liefhebber en was in het verleden al regelmatig betrokken bij de club. De Vlieger was onder andere initiatiefnemer van een nieuw stadion (Oostpoort) in Haarlem, maar dat plan mislukte na vele jaren gesteggel tussen veel partijen.

hfc haarlem

In het gesprek met de lokale zender laat de Vlieger weten samen met anderen bezig te zijn met de club, maar gaf ook duidelijk aan dat hij niets durft te beloven omdat er heel veel factoren zijn om rekening mee te houden. Ergens klonk (klik hier voor het hele interview in MP3 formaat) het wat vrijblijvend allemaal, maar het zou voor al die Haarlem-supporters die nog dagelijks met hun club bezig zijn wel heel erg tof zijn als de Roodbroeken een glorieuze comeback zouden kunnen maken.

(foto met dank aan Serge Meijer)

copa

Een staande ovatie voor Fernando Ricksen

12 januari 2014 |  door  |  Actueel

Rangers FC speelde gisteren de thuiswedstrijd tegen East Fife en wist die wedstrijd ook met 2-0 te winnen. Maar de wedstrijd was eigenlijk maar een bijzaak, alles stond gisteren in het teken van Fernando Ricksen. De voormalig voetballer die zes seizoenen speelde voor de club uit Glasgow en waarvan een aantal maanden geleden bekend werd dat hij lijdt aan de spierziekte ALS, was gisteren weer terug op Ibrox. De maar liefst 42000 aanwezige supporters gaven Ricksen in de rust een staande ovatie en de voormalige Rangers held was duidelijk geëmotioneerd. KIPPENVEL!

Selhurst’s Sound of the Sixtees

12 januari 2014 |  door  |  Shall we sing a song for you

selhurst_park5

Het clublied van Crystal Palace is een hit uit de jaren zestig. Rondom wedstrijden van de Londense club klinkt Glad All Over, een nummer van The Dave Clark Five.

The Dave Cark Five, ook wel The DC5, draagt de naam van één van de bandleden: oprichter, zanger en drummer Dave Clark. Dave was een voetbalfan en groot supporter van Tottenham Hotspur. Financieel ging het de Spurs eind jaren vijftig niet voor de wind, zo kon bijvoorbeeld een jeugdelftal van de club een reis naar Nederland niet maken. Dave trok dit zich aan, hij kocht een drumset en besloot een band op te richten om geld in te zamelen. Vier anderen sloten zich bij Dave aan en zo begon de band aan de eerste optredens.

Met het geld van The DC5 – toen nog The Dave Clark Quintet – werd het jeugdelftal van Tottenham Hotspur geholpen. Omdat het muziek van de band een succes bleek te zijn, ging de band door met optreden. The Dave Cark Five werd al snel gezien als een veelbelovende band. Velen zagen in de vijf jonge halflangharige muzikanten een potentiële Londense tegenhanger van het succes van The Beatles uit Liverpool.

Waar The Beatles en andere bands uit de regio Liverpool het stempel Merseybeat kregen, spraken media indertijd bij The Dave Clark Five over de Tottenham Sound, vanwege de (Noord-Londense) oorsprong van de band. The DC5 heeft dan wel nooit het succes van The Beatles kunnen evenaren, maar liet wel een aantal grote hits en onbedoeld een clublied na.

Begin 1964 scoorde het vijftal hun eerste en meteen ook grootste hit met Glad All Over. Het lied werd geschreven door Dave Clark samen met medebandlid Mike Smith en stootte I Want to Hold Your Hand van The Beatles van de eerste positie af in de Britse hitlijst. Ook in Nederland en andere landen kwam de plaat hoog in de hitparades terecht. Glad All Over past precies in de tijdsgeest van de populaire muziek uit de jaren zestig: een vrolijk liedje over verliefdheid.

Uiteindelijk vond de Tottenham Sound niet zijn eindbestemming bij Tottenham Hotspur, maar in Zuid-Londen, bij Crystal Palace. De club heeft dit vooral te danken aan een concert van The Dave Clark Five. De band gaf in op 10 februari 1968 een optreden in Palace’ stadion Selhurst Park. Diezelfde dag speelde Crystal Palace een uitwedstrijd tegen stadsgenoot Queens Park Rangers in de tweede Engelse divisie, deze Londense derby ging met 2-1 verloren.

Ondanks het verlies vermaakten de thuisgebleven Palacefans en op tijd teruggekomen fans zich met het concert. Het voelde voor de fans alsof The DC5 een beetje van Palace was geworden, omdat zij optraden op Selhurst Park. Sindsdien is Glad All Over niet meer weg te denken bij Crystal Palace. Na het concert werd Glad All Over rondom wedstrijden gedraaid en meegezongen door de fans, al zijn er ook fans die beweren dat de plaat ver voor het concert al vaak was te horen bij Crystal Palace. Hoe dan ook, het concert heeft ongetwijfeld bijgedragen aan de populariteit van Glad All Over bij de Zuid-Londense club.

Op Selhurst Park echoot Glad All Over nog altijd na. Als bij Crystal Palace vol hartstocht Glad All Over luidkeels wordt meegezongen, blijkt de muziek van de jaren zestig niet alleen geschikt voor de langspeelplaat en het concert van destijds, maar een clublied voor de eeuwigheid.

Fans Crystal Palace – Glad All Over

The Dave Clark Five – Glad All Over

De tekst van Glad All Over bekijk je hier.

De fakkelpolitie

11 januari 2014 |  door  |  Against Modern Football

Wij vinden natuurlijk allemaal dat een fakkeltje toegevoegde waarde heeft in een voetbalstadion, maar op de een of andere manier zijn bonden, clubs en politie altijd tegen. Bij Bristol City gaat het zover dat de politie er een hele operatie tegenaan gooit om de sfeerverhogende attributen buiten het stadion te houden.

BdI7e-DCIAA0joO.jpg large

Vuurwerk is geen misdaad!

Zo wordt voetbal gespeeld

8 januari 2014 |  door  |  Against Modern Football

Bij Darlington FC proberen ze het stadion vol te krijgen en dat doen ze door even heel duidelijk te maken dat voetbal maar op één manier wordt gespeeld…

darlington

(Plaatje via @TerraceLife_, dank Elwin)

Een lans breken

7 januari 2014 |  door  |  Columns

Ik moet gaan liggen want dat hoort zo. Maar echt lekker ligt het niet. Ik volg lijdzaam, ze heeft er immers jaren voor gestudeerd. Als ik mijn ogen sluit en met een ongemakkelijk gebogen nek door mijn neus inadem ruik ik een mengeling van vers gelakt hout en kamerplanten. De ruimte is donker, overwegend van bruin eikenhout. In de vensterbank staat een plant die uit een kokosnoot lijkt te komen. In mijn nek voel ik inmiddels de eerste knoop van de donkerbruine chesterfield doordrukken. Mijn god wat cliché is dit. Hier lig ik dan. Op de bank. Bij een psycholoog. Of een coach zoals dat zo hip heet. Want iedereen heeft tegenwoordig een coach. Dus ik ook, want ik heb een probleem. Ik ben niet normaal.

‘Eigenlijk is het al jaren zo. Ik kan het niet. En echt boeiend vind ik het ook niet. Of het een gevolg is van het ander vraag ik me af. Misschien is er wel een causaal verband tussen beide verschijnselen. Maar boeit het me dan niet omdat ik het niet kan. Of kan ik het niet omdat het me niet boeit?’

Wat een geneuzel. Haar ongelofelijke cliché vragen doen me schamper zuchten. Of ik bij het begin wil beginnen. Wat ik erbij voel. Ik weet het niet, snap het zelf niet eens!

Een ‘schillendorp’ zo noemde een van mijn stadse vrienden mijn geboortedorp ooit. Een voetbalclub, twee middelbare scholen, een kerk, een markt en een stamkroeg. Als je in en dergelijke setting opgroeit worden uitglijders je lang nagedragen. Zo viel het hoongelach mij terugkerend ten deel als er in een zin het woord‘wreef’ voorkwam. Niet zonder reden.

In de zomervakantie gingen we geregeld een balletje trappen op de velden naast de plaatselijke voetbalclub. ‘we’ was eigenlijk ‘ze’. Tot die benauwde zomeravond wist ik altijd mijn snor te drukken en met een biertje zitting te nemen aan de rand van het veld. Dat lag mij beter. Ik kon namelijk amper voetballen. Wat niemand wist was dat ik er echt helemaal geen kloot van kon. Die avond viel ik zo hard door de mand dat het me tot op de dag van vandaag wordt nagedragen. Door ongelijke aantallen moest ik aantreden. Tegenstribbelen hielp niet meer en ik moet tot groot vermaak van iedereen invallen. Ik punter me een weg door het veld. Na driemaal de bal uit de sloot hebben moeten vissen begint mijn eigen ‘Roberto Carlos’ geintje zelfs mij te irriteren. Wat lijdt groot vermaak van mijn vrienden. Tot iemand mij in al zijn goedheid uit mijn lijden wil en zegt dat ik de bal vol met mijn wreef moet raken. De reactie, in al mijn onschuld; ‘Waar zit mijn wreef dan?’ bezorgt me inmiddels meer dan 12 jaar na dato nog steeds een stortvloed aan hoongelach.

Mevrouw vraagt of ik het concreet wil maken. Inmiddels voel ik de laaghangende zon door de vreemde kokosplant op mijn wang branden. Het draagt bij aan de ongemakkelijke setting. Toch ga ik door met mijn verhaal. Ik moet dit ook opbiechten.

In het ‘schillendorp’ verwerf ik razendsnel een imago van slecht gezelschap. Niet voor de dames want dat gaat me wonderwel goed af. Maar gedurende het seizoen begint het me op te vallen dat ik altijd overal bij ben. Behalve de voetbalavondjes. Champions league, beker en Nederlands elftal worden trouw gade geslagen door de heren. Maar steevast zonder mij. Wat blijkt. Ik kan mijn bek niet houden. Nu ben ik altijd al lang van stof. Dat, in combinatie met het feit dat ik niet stil kan zijn zorgt sowieso al voor een spraakwaterval. Ik lul dus al jaren consequent door het voetbal heen. Dat komt namelijk. Doordat. Nou ja. Het boeit me gewoon niet. Voetbal-Boeit-Me-Niet. Zo, dat is eruit. Een taboe van jewelste. Ik geniet gewoon niet van driehoekjes. Op het bestaan van ’het driehoekje’ in het voetbal wees iemand mij laatst overigens pas. Het weergaloze spel van Barcelona, de euforie rond Zlatan, de wederopstanding van Arsenal door de komst Ozil. Ik weet het. Ik zie het. Ik hoor het. Maar het spijt me. Het doet me niets.

Mijn ogen knijp ik inmiddels dicht. De laaghangende zon schijnt verraderlijk in mijn ogen. Langzaam dringt de absurditeit van de situatie bij me binnen. Jezus dit gaat ze toch nooit begrijpen. Hoe leg je dit überhaupt uit aan anderen. Ik weet niet eens of ik dit wel kan uitleggen aan mijn eigen jongens. Ik voel me als een door Arie Boomsma uit de kast getrokken provinciaal. Ik wil dit helemaal niet. Het was goed zoals het was. Oké, niet zeuren. Vooruit met de geit.
Ik bedoel. Ik hou niet van het spel. Ik hou wel intens van ‘voebal’. De sfeer, mannen onder elkaar, saamhorigheid en de zwartgallige humor van de tribunes. Men moet daar ook niet aankomen. Dat is mijn wereld. De haat jegens personen die spreken over ‘voeTballen’zit diep. Dat is voornamelijk carnavalesk volk dat eenmaal per jaar naar het Nederlands Elftal omdat het ‘gezellig’ is. Of Wilma’s uit Delfzijl die eens per vier jaar een mening hebben over voetbal en ‘onze jongens’ graag aanduiden bij hun voornaam. ‘Robin is echt goed vandaag. Toch?’. Ik wil mijn sport behoeden voor dit soort typisch. Consumptie supporters. Dit is mijn sport. En dat is serieus. Mijn passie. Alleen kan ik niet zoveel met driehoekjes en inschuivende back. Champions league woensdag bestaat voor mij niet. Mijn halve jeugd pak ik vrijwel ieder weekend voor dag en dauw de trein naar mijn cluppie. Semi-profs die een wedstrijd spelen voor des keizers baard. Maar die tweemaal vijfenveertig minuten. Daar gaat het voor mij dus niet om.

Ik bemerk dat ik mezelf klem lul. Iets verdedigen waar je niet eens van houdt. Maar ik hou er wel van. Dit is mijn leven! Wat een kutverhaal. Lekker kort ook.

Het is ook niet zo dat ik niet graag naar het stadion ga. Het magische gevoel van het eerste zicht op het veld. Het alles omvattende geroezemoes op de tribune boven me. Het ruiken van het gras, broodjes unox en koffie. Ik ben gewoon meer van de pre-match-drink. Altijd het laatste groepje met versnelde tred richting het vak hollen. Net voor de aftrap binnenkomen. De hoon van de jongens over je heen krijgen. Het gelul en gezeik met en vooral op je buurman. Dat is mijn voetbal. Mijn wereld. Mijn jongens. Mijn trots. Dat daar een bal bij rolt is voor mij puur bijzaak. Ik meen oprecht dat dit al mijn hele leven zo is. Geboren en getogen in de plaatselijke voetbalkantine. Waar ik stipt om 16:20 binnen kwam. Beetje buiten in de kou staan kijken naar een paar amateurs. Ben je gek. ‘Hé biersupporter, je bent te vroeg’ riep de voorzitter van onze plaatselijke amateurclub me zelfs ooit toe toen ik om 16:05 het complex betrad. Aan de bar kon ik mooi van de jongens horen hoe de wedstrijd was geweest. Ik genoot van de lucht van bier en badedas die voetbalkantines in den landen op zaterdagmiddag zo typeren #nohomo. ‘

Ooit vertelde een psycholoog me dat er een vraag was die iedereen stelde. Nu lig ik hier. Op die verrekte chesterfield mijn hart te luchten en nek te verdraaien. Er brandt maar een vraag op mijn lippen.

‘Hoort u dit vaker? Ben ik de enige die dit heeft? Of breek ik slechts een lans voor mezelf?’

Di Natale, fenomeen met zeldzame loyaliteit

7 januari 2014 |  door  |  Smaakmakers

2

Een stukje heldenverering op zijn tijd kan geen kwaad. Zeker niet wanneer het een voetballer betreft, die naar onze mening uniek is in zijn soort. Echte clubliefde komt tegenwoordig nog maar weinig voor, maar Antonio Di Natale bezit deze mooie eigenschap. Hij speelde liefst tien jaar voor Udinese, een provincieclub in het Noord-Italiaanse Udine. De geboren Napolitaan maakte vandaag bekend aankomende zomer een punt te zetten achter zijn 18-jarige loopbaan. Een groot gemis voor Udinese aangezien ‘Totó’, zoals Di Natale liefkozend wordt genoemd, reeds 162 doelpunten in het zwart-witte shirt maakte en in 2010 en 2011 zelfs topscorer werd van de Serie A.

Ondanks zijn enorme loyaliteit aan Udinese was de inmiddels 36-jarige Di Natale in de beginjaren van zijn carrière een stuk minder honkvast. In de periode van 1996 tot 2004 stond hij, na er de jeugdopleiding te hebben doorlopen, liefst acht jaar onder contract bij Empoli. Toch sleet hij bijna drie van deze acht jaren bij modale clubs als Iperzola, Varese en Viareggio, hetzij op huurbasis. Hij leek bestemd voor een voetbalcarrière in de lagere regio’s van de Italiaanse voetbalpiramide. Dit alles veranderde toen hij in 2004 tekende voor Udinese en ging spelen in het Stadio Friuli.

Hij groeide in Udine, mede door zijn doelpunten en Zuid-Italiaanse winnaarsmentaliteit, uit tot de held van de gehele provincie Friuli-Venezia Giulia. Evert ten Apel zou Di Natale dan ook beschrijven als een typisch Italiaanse spits. Een toepasselijke beschrijving van een aanvaller zonder echt specifieke kwaliteiten. Hij had simpelweg de gave om zich alleen te bemoeien met het spel wanneer er echt wat te halen viel, om de bal vervolgens vanuit elke mogelijke hoek in het doel te schieten. Een eigenschap die voornamelijk spitsen uit de laars van Europa lijken te bezitten.

De afgelopen jaren onderstreepte Di Natale zijn band met Udinese door Juventus meerdere malen af te wijzen. Zelfs deze zomer, op 35-jarige leeftijd, kreeg de kleine Napolitaan de kans om voor topclub AC Milan te tekenen. Desondanks zwoer hij zijn club trouw en stal met dit gebaar de harten van talloze voetbalsupporters. Uiteraard zal hij beseft hebben dat hij ondanks zijn vele nationale en internationale doelpunten te klein was voor het tafellaken en te groot voor het servet. Een ware topvoetballer in de marge, maar bang om zijn status te breken onder druk bij een grote club.

In deze tijd waarin geld een steeds grotere rol in het voetbal speelt, bewonderen wij de clubliefde van Antonio ‘Totó’ Di Natale zeer. Het Italiaanse, maar ook het mondiale voetbal verliest een groot voorbeeld. Een voorbeeld voor alle spelers, die hun club jaarlijks weer verlaten voor een paar extra consumptiebonnen bij de rivaal.